Voorafgaand aan de ondertekening van de ‘17-Punten overeenkomst’ functioneerde Tibet als een de facto onafhankelijke staat. Tibet had een eigen (religieuze) autoriteit, munteenheid, paspoorten, taal, onderwijs en gezondheidszorg. Tibet onderhield diplomatieke- en handelsbetrekkingen met haar buurlanden India, Nepal en Mongolië. De relatie van Tibet met de verschillende Chinese dynastieën werd beschreven als een ‘priester - beschermheer’ relatie. De Dalai Lama was de geestelijke beschermer van de Chinese keizer, die op zijn beurt bescherming bood.
In het begin van de twintigste eeuw sloot Tibet een aantal internationale verdragen die de mythe van volledig Chinese gezag in Tibet en de complexe relatie tussen Tibet en China belichtten. Na een Britse militaire expeditie in Tibet in 1904, geleid door Younghusband, sloot Tibet een verdrag met de regering van Brits India waarin handelsconcessies en een verreikende voorkeursstatus aan de Britten werden toegekend.
China reageerde snel en zette het verdrag in 1906 door middel van een Adhesie-Verdrag om in een overeenkomst tussen Groot-Brittannië en China. Onder deze nieuwe overeenkomst nam China de schadevergoedingbetalingen over die de Tibetanen onder het verdrag uit 1904 aan de Britten hadden betaald om hen te compenseren voor de invasie.
In de daaropvolgende handelsovereenkomsten die tussen de Britten, China en Tibet gesloten werden, had Tibet een ondergeschikte positie. Na de ineenstorting van de Qing-dynastie in 1911 stuurde Tibet de Chinese vertegenwoordiger in Lhasa weg en gaf in 1912 een verklaring af die neerkwam op een onafhankelijkheidsverklaring. In 1913 sloten Mongolië en Tibet een verdrag van wederzijdse erkenning van hun onafhankelijkheid.
De Britten bedachten de term ’suzereniteit’ om de relatie tussen Tibet en China in deze periode te beschrijven. De laatste Britse vertegenwoordiger in Lhasa, Sir Hugh Richardson, was de eerste om toe te geven dat deze term niet precies gedefinieerd was. Hij omschreef ‘suzereniteit’ als “nominale soevereiniteit over een semi-onafhankelijke of intern autonome staat”.
De ongedefinieerde status van Tibet was in werkelijkheid onderdeel van een zorgvuldig machtsevenwicht dat de Britten probeerden te handhaven tussen Rusland, China en Brits India. Hiermee hielden de Britten voldoende invloed in Tibet, zonder het volledig in te lijven. Tegelijkertijd stonden ze geen Tibetaanse onafhankelijkheid toe en ook geen volledige soevereiniteit van China over Tibet.
Het Britse belang bij het handhaven van Tibet als een bufferstaat werd het meest duidelijk in 1914 toen de Britten door middel van onderhandelingen in Simla (Noord-India), probeerden Chinese erkenning voor de Tibetaanse autonomie krijgen, zonder Tibetaanse onafhankelijkheid of volledige Chinese soevereiniteit over heel Tibet toe te staan. Tijdens de onderhandelingen claimde China soevereiniteit over Oost-Tibet (Inner Tibet), en bood het een aanzienlijke mate van autonomie aan voor het westelijk deel van Tibet (Buiten Tibet, ongeveer gelijk aan wat tegenwoordig de Tibetaanse Autonome Regio Tibet is (TAR)). Uiteindelijk werd het Simla verdrag niet ondertekend door China, maar geratificeerd door Groot-Brittannië en Tibet, waarmee de internationale grens (McMahon lijn) tussen Brits India en Tibet werd vastgesteld. Grote delen van deze grens tussen India en China blijven tot vandaag de dag omstreden.
In de daaropvolgende jaren ontwikkelde Tibet zich met Britse voogdij en bijstand tot een de facto onafhankelijke staat onder de centrale autoriteit van de dertiende Dalai Lama. Tegelijkertijd weerhielden de Britten Tibet ervan om volledige onafhankelijkheid uit te roepen. Terwijl China als strijdende partij betrokken was in de Tweede Wereldoorlog, behield Tibet haar neutraliteit. Tibetaanse pogingen om na WO II erkenning van haar onafhankelijkheid te krijgen, en om lid te worden van de Volkenbond mislukten echter.
Na de formele uitroeping van de Volksrepubliek China in 1949 trok het Chinese leger in 1950 Tibet binnen. Tibetaanse verzoeken aan de Verenigde Naties werden niet gehoord en behandeling van Tibet in de Algemene Vergadering werd geseponeerd op een voorwaarde van een vreedzame oplossing van de situatie. Pas na de vlucht van de Dalai Lama in ballingschap heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties drie resoluties over Tibet aangenomen: in 1959, 1961 en 1965 (res. 1353, 1723 en 2079). De resoluties riepen op tot respect voor de fundamentele mensenrechten en vrijheden van het Tibetaanse volk, met inbegrip van het recht op zelfbeschikking, en voor respect voor hun specifieke culturele en religieuze leven. De Verenigde Naties hebben nooit een concreet vervolg aan deze resoluties gegeven.
Met de invulling van de zetel van Taiwan door China in de Verenigde Naties, bleef de VN vervolgens stil over de Tibetaanse kwestie. Deze situatie duurde tot 1988, toen voor het eerst mensenrechtenschendingen in Tibet werden genoemd in officiële verslagen van de speciale VN-rapporteurs op het gebied van marteling, executies en religieuze onverdraagzaamheid. Pas in 1989, meer dan 20 jaar na het laatste debat over Tibet, heeft een aantal westerse regeringen officiële verklaringen afgegeven over de situatie in Tibet bij de VN-Mensenrechten Commissie. In het jaar daarop nam de VN-subcommissie Commissie voor de bescherming van minderheden, een orgaan van de VN-mensenrechten commissie, een resolutie aan tegen China, waarin respect voor de mensenrechten en de identiteit van het Tibetaanse volk gevraagd werd. Het was de eerste keer in haar geschiedenis dat de VN een resolutie heeft aangenomen tegen een permanent lid van de VN-veiligheidsraad.



