| Tibet en China voor 1644 |
| Geschiedenis |
|
China heeft altijd al belangstelling voor Tibet gehad. Dit gaat terug tot de zevende eeuw na Christus. Koning Songtsen Gampo maakte van Tibet, bestaand uit rondzwervende nomadenstammen, voor het eerst een politieke eenheid. Koning Gampo bekeerde zich ook tot het boeddhisme. Koning Gampo huwde twee prinsessen, waarvan één uit Nepal en de ander uit China afkomstig was. China’s claim op Tibet wordt onder andere op dit huwelijk teruggevoerd. In 842 viel Tibet uiteen in verschillende vorstendommen, welke in de dertiende eeuw weer bij elkaar gebracht werden door de lama’s (boeddhistische leraren) van Sakya, een klooster in Centraal-Tibet. Deze lama’s sloten een verdrag met het overal oprukkende Mongoolse rijk. De Tibetanen beloofden politieke loyaliteit, religieuze zegeningen en leringen in ruil voor patronage en bescherming. Er ontstond een patroon-priester relatie tussen het Mongoolse rijk en de Tibetaanse lama's. Aldus werd een verovering van Tibet door de Mongolen voorkomen, maar stond Tibet wel onder Mongools bestuur. Tegelijkertijd namen de Mongolen de Tibetaanse religie over, welke ook nu nog in Mongolië wordt beoefend. Niet alleen Tibet, maar ook China stond feitelijk onder bestuur van de Mongolen. Ondanks de patroon-priesterrelatie bleven zowel China als Tibet formeel gesproken onafhankelijke staten onder het Mongools bestuur. Halverwege de veertiende eeuw kwam er een eind aan de Mongoolse heerschappij in Tibet. Ook China wist zich los te maken van de Mongolen. Daar ontstond de Ming-dynastie die tot 1644 zou aanblijven en waar Tibet amper contact mee onderhield.
|




