| Tibet en China 1644-1900 tijdens de Qing-dynastie |
| Geschiedenis |
|
Tijdens de Qing-dynastie (1644-1911) ontstond een patroon-priesterrelatie tussen de Tibetanen en de Mantsjoes, die China destijds regeerden. De Vijfde Dalai Lama werd de leraar van de Mantsjoe keizer, die in ruil daarvoor patronage en bescherming bood. Dit had geen verdere gevolgen voor de onafhankelijkheid van Tibet. Wel werden er verscheidene malen keizerlijke troepen naar Tibet gestuurd om Tibet te helpen tegen invallen van de Dzoengar-Mongolen (1720) en de Gurkha’s uit Nepal (1791-92). Hoewel de Mantsjoes op het hoogtepunt van hun macht de nodige invloed uitoefenden in Tibet, maakte Tibet nooit deel uit van het Mantsjoerijk. Eén van de manieren waarop de Mantsjoes invloed probeerden te verkrijgen in Tibet, was hun bemoeienis met het zoeken naar nieuwe reïncarnaties van belangrijke lama's. Zo stuurden ze een gouden vaas naar de Tibetaanse hoofdstad Lhasa, waarin de namen van de diverse kandidaten voor een nieuwe reïncarnatie gestopt moesten worden. Hieruit konden de Tibetanen dan, onder toeziend oog van een hoge Mantsjoe functionaris, een naam kiezen. Hoewel dit systeem enkele keren gebruikt is, werd het al snel weer door de Tibetanen afgeschaft.
|




