Het Tibetaans Boeddhisme is een stroming binnen het Boeddhisme, die aan het begin van de Europese middeleeuwen naar Tibet kwam.
Boeddhisme naar Tibet
In de achtste eeuw kwam het boeddhisme naar Tibet. Koning Trisong Detsen nodigde toen de Indiase boeddhistische meesters Shantarakshita en Padmasambhava uit om het boeddhisme in Tibet te vestigen en de belangrijkste geschriften te vertalen. Zo ontstond de oudste school van het Tibetaans boeddhisme, de Nyingma. In de elfde eeuw kreeg het boeddhisme een nieuwe impuls toen de meester Atisha naar Tibet kwam. Daarop kwamen er nog drie scholen bij: de Kagyu, Sakya en Gelug. De Dalai Lama is de bekendste leraar binnen deze laatste traditie. Maar ook de andere scholen beschouwen hem als een belangrijke meester.
Tantra
Het Tibetaanse boeddhisme omvat alle aspecten van de verschillende boeddhistische tradities. Specifiek voor het boeddhisme in Tibet is echter de beoefening van tantra. Daarbij worden gevoelens als verlangen en afkeer omgezet in zinvolle energie, die bijdraagt tot spirituele ontwikkeling. De methoden daartoe zijn alleen bestemd voor ingewijden. Ze bevatten onder andere de visualisatie van boeddha’s en het reciteren van mantra’s. Bijvoorbeeld de boeddha van compassie, Chenrezig, en zijn beroemde mantra ‘Om mani padme hum’.
Lama’s
Heel belangrijke binnen het Tibetaanse boeddhisme is de rol van de leraar, oftewel de lama. Voor zijn leerlingen is de leraar in feite een boeddha in menselijke gedaante. Hij is de begeleider op het pad naar verlichting. Bij zijn dood is een lama in staat te beïnvloeden waar hij zal reïncarneren. Zijn leerlingen gaan op zoek naar zijn reïncarnatie (tulku), die dan de rol van leraar weer kan opnemen.
Bön
Het boeddhisme in Tibet bevat ook elementen die overgenomen zijn uit de Bön, de oudste godsdienst van Tibet. De kleurige gebedsvlaggetjes bijvoorbeeld, en de demonen en orakels. De Bön bestaat trouwens nog steeds. Deze godsdienst lijkt erg op het sjamanisme.
|