Een groter contrast tussen de ligging van Nederland en Tibet is nauwelijks denkbaar. Waar ons land gedeeltelijk onder de waterspiegel ligt en grote rivieren erin uitmonden, vormt Tibet het dak van de wereld waar juist Azië’s grootse rivieren de Indus, Sutlej, Brahmaputra, Salween, Mekong, Gele Rivier en Yangtze hun oorsprong hebben. De extremiteit van het landschap heeft natuurlijk een bepalende invloed op samenleving en geschiedenis. Terwijl in de Lage Landen aan de zee een open, internationaal georiënteerde maatschappij zich ontwikkelde, bleef Tibet vele eeuwen lang relatief gesloten in het isolement van haar bergen.
Tibet: Land en Volk
Het gebied dat nu Tibet wordt genoemd lag drie miljoen jaar geleden onder de Tethys Zee, een enorme oceaan die het grootste gedeelte van India en de rest van Azië bedekte. De Middellandse Zee is slechts een laatste plas die overgebleven is van de Tethys. Veertig miljoen jaar geleden begon immense druk van de Indiase landmassa het noordelijke gebied opwaarts te stuwen, wat resulteerde in het hoge Himalaya-gebergte, en het zich vandaar uitstrekkende plateau van Centraal-Azië. Het hoge open land van Tibet bevindt zich op dit plateau en strekt zich uit over 2000 kilometer van India in het westen tot China in het oosten, en tot meer dan 1000 kilometer vanaf Nepal in het zuiden tot de Chinese provincie Xinjiang (Turkestan) in het noorden. De gemiddelde hoogte is 4000 meter boven de zeespiegel. Het wordt aan drie zijden begrensd door enkele van de hoogste bergen ter wereld: in het zuiden door de Himalaya’s, in het westen door de pieken van de Karakoram en in het noorden door de Kunlun- en Tangla-ketens. In oostelijke richting wordt het land geleidelijk lager, met minder hoge bergketens en met ravijnen die de uitgestrekte droge vlakten afwisselen, tot het uiteindelijk wordt begrensd door de laaglanden van de meest westelijke provincies van China, Sichuan en Yunnan.
De meeste van de grote rivieren van Azië ontstaan op het Tibetaanse plateau. In het verre westen, bij de heilige berg Kailash, beginnen de Indus en de Sutlej hun lange weg naar het westen en komen samen in de laaglanden van Pakistan. Hier vlakbij ontstaat ook de Tsangpo (Brahmaputra), die als een enorme levensader door zuidelijk Tibet oostwaarts stroomt en ten slotte in een serie dramatische kloven en ravijnen door de Himalaya breekt en uitmondt in de Golf van Bengalen. In het meest oostelijke deel van het land beginnen de Salween en de Mekong hun tocht naar Zuidoost-Azië. De Yangtze stroomt in een rechte lijn naar het oosten tot aan Shanghai, en de Gele Rivier mondt ten zuiden van Tianjin uit in de Oost-Chinese Zee.
Het Tibetaanse landschap varieert van subtropische beboste laagvlakten langs de zuidelijke grens, dat op ongeveer 1000 meter hoogte is gelegen, tot enkele van de hoogste, besneeuwde pieken ter wereld van 8000 meter. In de lagergelegen gebieden komen apen, rode panda’s en herten voor. In de hogergelegen grasgebieden kan men marmotten, fluithazen, kyang (wilde ezels), wilde jakken, gazellen en zwarthalskraanvogels aantreffen. Op de hoogstgelegen gebieden leven steenbokken, bruine beren, sneeuwluipaarden en sneeuwhoenders. Veel van de grotere zoogdieren zijn de laatste jaren door Chinese jagers uitgeroeid. (begin 2006 leidde een oproep van de Dalai Lama om zeldzame diersoorten meer in bescherming te nemen tot massale huidverbrandingen van tijgers en zo meer in Tibet, Nepal en India uit protest tegen de handel hierin) Er zijn plannen om natuurgebieden in te richten om de meest bedreigde diersoorten te beschermen.
Van de overvloedige lianen en bamboestruiken die in de lagergelegen bossen groeien, ga je hogerop naar de gemengde wouden van eiken, essen, rododendrons en andere loofbomen, en nog hoger vind je naaldbossen die in het gebied tot aan de weidse open graslanden groeien. Hier komen verschillende grassen voor met hier en daar struiken, en op beschutte hellingen windbestendige dennen en andere kleinere bomen. In de vruchtbare valleien groeien populieren, wilgen en dergelijke die de akkers en dorpen omringen. Naarmate je hoger komt, nabij de sneeuwgrens, zijn er mossen, kortmossen en verschillende alpiene bloemen. In de afgelopen jaren zijn in het oosten van het land (Kham en Amdo) grote bosgebieden gekapt en is het hout naar China getransporteerd. In Centraal-Tibet begint het bosachtige gebied ten oosten van Lhasa, op de grens van Kongpo. Deze bossen werden systematisch gekapt voor zowel brandstof als bouwmaterialen, maar sinds 2000 is er een kapverbod.
De noordelijke helft van Tibet, een woestijngebied dat de Jangtang (noordelijke hoogvlakte) wordt genoemd, is vrijwel onbewoond. Dit verlaten gebied wordt slechts sporadisch bezocht door jagers en verzamelaars van zout en borax. Het zuidelijke gedeelte is een uitgestrekt bergachtig graasgebied dat wordt bewoond door nomaden en hun kudden schapen, geiten en jakken. Deze mensen, die er ruig uitzien, wonen in tenten van zwarte dierenhuiden en leven van vlees en melkproducten. Ze hebben nog steeds hun traditionele manier van leven die wellicht meer dan tweeduizend jaar oud is. Soms brengen ze gedroogd vlees, wol, boter en kaas van de hoogvlakten naar de steden en dorpen, en ruilen deze producten tegen tsampa (geroosterd gerstemeel), lappen stof en eenvoudige gebruiksartikelen.
Het merendeel van de Tibetanen woont in het zuidelijke gedeelte van het land, in het gebied waar de Tsangpo en haar zijrivieren stromen, en in de oostelijke provincies Kham en Amdo. In deze gebieden, die wat toegankelijker zijn, met glooiende heuvels en besloten valleien, worden de gewassen verbouwd waarvan de Tibetanen afhankelijk zijn: gerst, tarwe en een klein aantal soorten groente en fruit. Er wordt ook veeteelt bedreven en op de boerderijen kan men koeien, geiten, varkens en paarden aantreffen. Er zijn veel verspreid liggende dorpen waarvan de meeste uit slechts een paar boerderijen bestaan. Een typische boerderij is een witgekalkt vierkant gebouw van slechts een verdieping met een ingang naar een open binnenplaats. Rond de binnenplaats liggen het woongedeelte van het boerengezin, de voorraadkamers en de stallen voor het vee. Vanaf de platte daken wapperen vlaggen, die vaak vaal en gescheurd zijn vanwege de gure wind. Deze vlaggen worden ieder jaar door nieuwe vervangen, een gelukbrengend gebaar om de lente in te luiden. Op de daken wordt vaak brandstof zoals hout, sprokkelhout en gedroogde mest bewaard.
De zuidelijke valleien zijn de plaatsen waar de Tibetaanse cultuur en beschaving zich ontwikkelden. Tot het begin van de Chinese campagne om alles wat met de Tibetaanse cultuur en religie te maken had systematisch te vernietigen, was het landschap bezaaid met kloosters, hermitages en religieuze monumenten. Deze varieerden in omvang van kleine gebouwtjes, met een enkele ruimte waar een altaar stond en kamers voor een handjevol monniken of nonnen, tot de enorme studiekloosters waar enkele duizenden monniken huisden. Er zijn een paar stadjes van enige omvang, waarvan Lhasa, Shigatse, Tsetang, Gyantse en Chamdo de grootste zijn. Deze stadjes waren van oudsher handelscentra en de plaatsen waar de regionale gouverneur zetelde.
De invloed van de Tibetaanse cultuur heeft zich tot ver over de grenzen van het ‘politieke Tibet’ verspreid, dat wil zeggen het gebied dat feitelijk of in theorie onder de regering van Lhasa viel. In Mongolië, Bhutan, Nepal, Sikkim, Ladakh en een paar andere gebieden in Noord-India zoals Spiti en Lahoul, wordt nog steeds de oude Tibetaanse wijsheid bewaard. Ook in etnische en linguïstische zin lijken veel van de mensen die in deze gebieden wonen op Tibetanen.
Men veronderstelt dat de Tibetanen afstammen van niet-Chinese nomadenstammen die het land ongeveer tweeëneenhalf tot drieduizend jaar geleden vanuit het noordoosten binnentrokken. Het is een gehard, onafhankelijk volk, en de meeste westerse reizigers die het vanaf de zeventiende eeuw waagden Tibet binnen te trekken, maakten melding van de spontane warmte en goedgezindheid van de Tibetanen. Het is moeilijk te zeggen hoe groot het aantal inwoners precies is. Woordvoerders van de Dalai Lama beweren dat er zes miljoen Tibetanen in Tibet wonen. Zij zeggen verder dat er tijdens de culturele revolutie 1,2 miljoen Tibetanen zijn omgekomen. Hugh Richardson, die in de jaren veertig van de vorige eeuw het hoofd was van de Britse missie in Lhasa, dacht dat in die tijd een schatting van twee tot drie miljoen juist was. Tegenwoordig wonen er meer dan honderdduizend Tibetaanse vluchtelingen in India, Nepal, Bhutan, Europa en Amerika.
Tot de machtsovername door China, die in 1950 begon, leefde dit volk van nomaden, boeren en handelaren een eenvoudig leven. De meeste mensen accepteerden hun plaats binnen een samenleving die bestond uit aristocratische landeigenaren, kleine boeren, geestelijken en handelaren. De bevolking bleef stabiel omdat ten minste eenderde van de mannen als monnik leefde. De agrarische bronnen van het land waren voldoende om iedereen van voedsel te voorzien. Ondanks het grote aantal monniken bestond er een stelsel van polyandrie, waarbij een vrouw meer dan één man had. In vergelijking met andere Aziatische landen was er een relatief hoge graad van geletterdheid, en de meerderheid van de bevolking kon in ieder geval de meest voorkomende gebeden lezen en reciteren.
In de zevende eeuw werd een eenvoudig rechtsstelsel ontwikkeld, dat door latere vorsten werd uitgebreid, maar in de praktijk kwam het erop neer dat misdaden vaak werden bestraft volgens de plaatselijke gewoonten, soms op barbaarse wijze. Alle lagen van de bevolking waren belastingplichtig: de landeigenaren moesten een percentage van hun inkomen afstaan, de kleine boeren moesten werk, militaire dienst of reisassistentie leveren, en de monniken betaalden hun giften terug met gebeden en rituelen. Men reisde te voet of per paard, of daar waar mogelijk met een vlotachtig bootje. Afgezien van een paar auto’s die in het bezit waren van de Dalai Lama, was er tot 1950 geen transport op wielen in het land.
Tegenwoordig is er slechts weinig over van deze traditionele manier van leven. Nomaden en boeren zijn nog steeds de belangrijkste factor voor de economie, maar veel van de laatste werden gedwongen deel uit te maken van collectieve boerderijen en werkeenheden. Afgezien van een paar ambachtscentra is er in Tibet vrijwel geen industrie. Er is één fabriek in Tolung, ten westen van Lhasa, waar cement wordt geproduceerd.
Het evenwicht tussen bevolking en agrarische hulpbronnen werd ernstig verstoord door de enorme toestroom van Han-Chinezen, wat in 1959-63 en 1968-73 tot hongersnood leidde. Hoewel er de laatste jaren materieel gezien wel enige verbetering is gekomen in het leven van de Tibetanen, is onder de wetten van communistisch China elke uiting van verzet tegen het systeem een misdaad. Er zijn inderdaad scholen gebouwd, maar het merendeel van de lessen op de middelbare school wordt in het Chinees gegeven. Tibetanen die verder willen studeren zodat ze een beroep als bijvoorbeeld arts uit kunnen oefenen of hogerop kunnen komen als ambtenaar, moeten hun studies in het Chinees volgen, gewoonlijk in China zelf. Men zei mij dat een graad van de universiteit van Lhasa beschouwd wordt als het equivalent van het einddiploma van een middelbare school in China.
Er zijn hydro-elektrische installaties gebouwd die de meeste steden en dorpen van elektriciteit voorzien. Een netwerk van wegen en bruggen is nog onder constructie om alle belangrijke steden en wegen met elkaar te verbinden, en de Chinezen hebben een spoorlijn naar Tibet aangelegd. Het omstreden bijna 1200 kilometer lange traject van Qinghai naar Lhasa is nu de hoogste spoorlijn van de wereld. Terwijl de Chinezen zeggen dat de spoorlijn ten goede zal komen aan de ontwikkeling van Tibet, vrezen de Tibetanen dat hij alleen zal dienen om kostbare grondstoffen uit Tibet naar China te vervoeren en indien nodig soldaten uit China naar Tibet zal brengen. Het ‘nieuwe’ China moedigt westerse investeringen in Tibet aan en sluist steeds grotere bedragen aan overheidsgeld naar economische ontwikkelingsprojecten in Lhasa en omstreken. Toerisme wordt gezien als een onmisbaar element in de economische ontwikkeling van Tibet. De Dalai Lama moedigt buitenlanders aan naar Tibet toe te reizen om de situatie met eigen ogen te zien.




