De Chinese bezetting van Tibet is voor vele mensen bekend, maar doordat de details vaak niet bekend zijn worden de gruwelijkheden van het verhaal vaak niet benoemd.
China bezet Tibet
Eind 1949 viel het Chinese leger het oostelijke deel van Tibet binnen. De naar schatting zes miljoen Tibetanen hadden een klein en slecht getraind leger en waren niet in staat om de invasie het hoofd te bieden. De Chinese troepen bereikten in 1950 dan ook relatief makkelijk de Tibetaanse hoofdstad Lhasa. Een jaar later tekenden de Tibetanen onder druk de zogenaamde Zeventienpunten Overeenkomst, die China’s soevereiniteit over Tibet vastlegde. Sindsdien is Tibet een land onder bezetting.
Waarom heeft China Tibet bezet?
De strategische ligging van Tibet, de imperialistische ambities van de Chinese Communistische Partij en de aanwezigheid van grondstoffen worden buiten China als redenen voor de bezetting beschouwd. Volgens China zelf hoort Tibet echter van oudsher bij het Chinese moederland. De Mantsjoes heersten namelijk eeuwenlang – van 1644 tot 1911 – over China én Tibet. Maar de Mantsjoes onderhielden aparte banden met beide landen en Tibet maakte officieel nooit deel uit van het ‘Chinese’ Mantsjoerijk. Ook het huwelijk tussen een zevende-eeuwse Tibetaanse koning en een Chinese prinses is volgens China bewijs dat beide landen bij elkaar horen.
Volksopstand
China beloofde dat de Tibetanen een grote mate van zelfbestuur zouden houden, maar kwam deze belofte niet na. De onderdrukking nam toe en het verzet onder de Tibetaanse bevolking groeide. Toen het gerucht rondging dat de Chinese legerleiding de Dalai Lama gevangen wilde nemen, kwamen de Tibetanen in opstand. Het Chinese leger sloeg deze opstand, op 10 maart 1959, met harde hand neer. Naar schatting 87.000 Tibetanen vonden de dood. De Dalai Lama vluchtte met zijn regering naar India, gevolgd door tienduizenden landgenoten. In de Noord-Indiase plaats Dharamsala werd de Tibetaanse regering in ballingschap opgericht.
Geweldloze strijd
De Tibetanen voeren een geweldloze strijd om hun vrijheid terug te winnen. Hiervoor ontving de Dalai Lama in 1989 de Nobelprijs voor de Vrede. De strijd is niet langer gericht op onafhankelijkheid, maar op een ware autonome status voor Tibet binnen de Volksrepubliek China. Deze ‘middenweg benadering’ houdt rekening met de belangen van beide partijen. Hoopgevend leek het eerste contact sinds lange tijd tussen vertegenwoordigers van de Tibetaanse en de Chinese regering in 2002. Inmiddels zijn er vijf keer besprekingen geweest. Helaas nog zonder concreet resultaat. Meer druk van de internationale gemeenschap op China is nodig om tot een duurzame oplossing te komen.
|