Voor de reiziger in Tibet lijkt het op het eerste gezicht alsof er niets aan de hand is met de religieuze vrijheid in Tibet. Uitingen van het Tibetaans boeddhisme zijn alom aanwezig: overal wapperen gebedsvlaggen, er worden kloosters gerenoveerd en monniken en nonnen lopen vrij over straat.
Ondanks deze ogenschijnlijke religieuze vrijheid staat de communistische Chinese overheid principieel vijandig tegenover religie. De Tibetaanse religie staat dan ook onder scherp toezicht van deze overheid en is aan allerlei beperkingen gebonden. De laatste jaren is de Chinese bemoeienis met religieuze activiteiten in Tibet alleen maar toegenomen. Elke oppositie hiertegen wordt krachtig onderdrukt.
Sinds de bezetting van Tibet door communistisch China in 1949 wordt het religieuze leven onderdrukt. De Chinese overheid zag , en ziet, religie als het grootste obstakel voor totale controle over Tibet. Men begon daarom met zogenaamde ‘democratische hervormingen’. Volgens China was in Tibet sprake van een achterlijk feodaal systeem waar vooral de geestelijkheid van profiteerde, en dit moest afgeschaft worden.
Systematische vernietiging
In de praktijk kwam dit neer op de systematische vernietiging van kloosters en tempels. Duizenden religieuze gebouwen werden vernietigd en ontdaan van hun waardevolle voorwerpen, niet alleen tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976), maar voor het grootste deel zelfs al in de periode daarvoor. Het merendeel van de kunstvoorwerpen werd naar China vervoerd en daar vernietigd of opgeslagen.
Religie werd in haar totaliteit afgekeurd en belachelijk gemaakt. Een aantal maal zijn monniken en nonnen gedwongen tot het hebben van openbare seksuele gemeenschap en het vertonen van wonderen. Honderden monniken en nonnen werden gevangen gezet, ‘politiek heropgevoed’ en gemarteld.
Van de bijna 600.000 monniken en nonnen zijn er 110.000 vermoord en 250.000 gedwongen tot uittreding uit de religieuze orde. In 1976 waren slechts acht van de ruim 6000 kloosters gespaard gebleven.
Liberalisering
Vanaf het einde van de jaren ’70 werd aan religie meer ruimte gegeven. De Chinese leider Hu Yaobang vond dat door China in Tibet ernstige fouten waren gemaakt, vooral tijdens de Culturele Revolutie, en gaf dit in 1980 tijdens een bezoek aan Tibet ook in het openbaar toe. Als gevolg van deze ontwikkelingen werd een meer liberaal beleid toegepast op Tibet, waarbij geloofsbeoefening ogenschijnlijk meer werd geaccepteerd.
Niettemin bleven religieuze gebruiken onder Chinese controle staan. Zo was het op traditionele manier beoefenen van de leer van Boeddha officieel nog steeds verboden. De liberalisering bestond zodoende eigenlijk alleen uit het terugdraaien van de extremiteiten van de Culturele Revolutie.
Controle op religie
Na de pro-onafhankelijkheidsdemonstraties in 1987 is de controle over het religieuze leven weer verscherpt. Het herbouwen en renoveren van belangrijke kloosters gedurende de jaren ’80 en ’90 moet dan ook worden gezien in het kader van de plannen om van Tibet een lucratieve toeristische trekpleister te maken. De kloosters staan onder toezicht van het ‘Religieus Bureau’, een Chinese overheidsinstelling.
Dit bureau heeft in de kloosters Democratische Management Committees (DMC’s) aangesteld welke binnen de kloosters zorg dragen voor de uitvoering van het overheidsbeleid. Ook bepalen de DMC’s hoeveel geestelijken er toe mogen treden tot de kloosters en onder welke voorwaarden.
Omdat de Tibetaanse geestelijkheid vaak het voortouw had genomen bij onafhankelijkheiddemonstraties, werd in 1994 op het ‘Derde Forum over Tibet’ door China besloten de controle over het religieus leven verder te verscherpen. Doel van dit nieuwe beleid was om “het hoofd (de Dalai Lama) van de slang (de Tibetaanse onafhankelijkheidsbeweging) af te hakken”. Naar aanleiding van het Forum werd in 1995 begonnen met een grootschalige ‘politieke heropvoedingcampagne’ in de kloosters.
Monniken en nonnen werden verplicht een drie maanden durende cursus te volgen waarin zij de Chinese versie van de geschiedenis van Tibet leerden.
Aan het eind van de cursus werden zij geacht schriftelijk te verklaren dat zij afstand namen van de Dalai Lama en trouw beloofden aan het Moederland. Inmiddels zijn er sinds 1996 meer dan 11.000 monniken en nonnen uit kloosters verbannen omdat zij hebben geweigerd een dergelijke verklaring af te leggen of meer in het algemeen protesteerden tegen de 'patriottische heropvoeding'.
Verbod afbeelding Dalai lama
In 1996 is er een verbod gekomen op het bezit van foto’s van de Dalai Lama. Voorheen waren deze wel toegestaan mits er geen afbeelding van de Tibetaanse vlag op stond. Deze maatregel leidde tot zoveel protesten dat het Religieus Bureau het Ganden-klooster voor onbepaalde tijd heeft gesloten, als soort van vergeldingsactie.
Begin 1998 zijn nog eens drie kloosters gesloten in verband met de weigering van de geestelijken om afstand te nemen van de Dalai Lama. In april 1998 is het klooster bij Drag Yerpa vernietigd omdat het volgens de Chinese autoriteiten niet op de historisch juiste locatie was herbouwd. Ook hebben de autoriteiten bepaald dat er op dit moment voldoende kloosters, tempels, monniken en nonnen zijn om in de behoefte te voorzien. Dit betekent dat er geen toestemming meer wordt gegeven voor het herbouwen van, of toetreden tot kloosters.
Met de herlancering van de 'Strike Hard' campagne in april 2001 is de controle op en over de Tibetaanse religie verder geïntensiveerd. Speciale 'work teams' bezoeken en inspecteren de kloosters en leggen allerlei restricties op, waaronder een limiet op het aantal kloosterlingen. Ook vinden massale gedwongen uitzettingen uit kloosters plaats.
Zo zijn tussen april en juli 2001 meer dan 7.000 mensen uit het Serthar klooster (ook wel Larung Gar klooster genoemd) in Karze 'TAR' Sichuan (Kham) gezet en werden vervolgens duizenden woningen door militair en ingehuurd personeel vernield. Ook monniken en nonnen zelf werden gedwongen hun eigen huizen te vernielen.
Hetzelfde gebeurde twee maanden later bij het Yachen Gar klooster in Payul County in Sichuan. Van de 8,988 mensen die in deze twee kloosters studeerden, zijn zeker 57 monniken en nonnen opgepakt, waarvan 11 gevangenisstraf hebben opgelegd gekregen. In totaal zijn 509 van hen Tibet uitgevlucht. |