| Politieke gevangenen |
|
Het oppakken van Tibetanen wegens (vermeende) politieke vergrijpen gebeurt al sinds de Chinese invasie in Tibet in 1949. Het hebben van kritiek op het Chinese beleid is voldoende om gearresteerd te worden. Kijk hier voor een actuele lijst van de politiek gevangenen in Tibet. Uitingen die wijzen in de richting van onafhankelijkheid zijn helemaal uit den boze. Dergelijke ‘antirevolutionaire’ uitingen worden door het Chinees bestuur beschouwd als een aantasting van de eenheid van het Moederland. Tibetanen kunnen worden opgepakt voor het deelnemen aan onafhankelijkheidsdemonstraties, het verspreiden van posters en pamfletten die oproepen tot onafhankelijkheid, het zingen van politieke liederen, bezit van foto's van de Dalai Lama, het spreken met buitenlanders over de situatie in Tibet, enzovoort. Het merendeel van de politieke gevangenen wordt zonder enige vorm van proces vastgezet. Als er al een proces wordt gevoerd, dan staat het vonnis veelal van tevoren vast. Minder dan twee procent van de zaken wordt door de verdediging gewonnen. In China geldt de omgekeerde bewijslast; een verdachte wordt als schuldig beschouwd tot het tegendeel is bewezen. De Chinese autoriteiten weigeren onafhankelijke waarnemers toestemming te geven de officieel openbare rechtszaken bij te wonen. In de periode 1987-1989 vonden spontane protestacties van monniken en nonnen weerklank onder grote groepen Tibetanen die zich vervolgens bij deze protesten aansloten. Dit resulteerde in zes massademonstraties waarbij 200 ongewapende demonstranten het leven lieten. Honderden anderen werden gearresteerd. De gemiddelde straflengte was voor hen drie jaar en vier maanden. In maart 1989 werd uiteindelijk de noodtoestand afgekondigd waardoor het aantal demonstraties sterk terugliep. Hoewel de noodtoestand in april 1990 werd opgeheven, was de angst voor represailles zo groot dat het rustig bleef. Anti-religieusDe sporadische demonstraties die nog wel plaatsvonden waren spontane acties waar minder dan tien mensen (vaak nonnen en monniken) bij betrokken waren. Deze demonstraties vonden meestal plaats op de Bharkor, de pelgrimsroute rond de Jokhang-tempel in Lhasa, en bestonden uit het schreeuwen van onafhankelijkheidsleuzen. Pas in 1993 nam het aantal demonstraties weer toe. Bij de 44 protesten dat jaar werden 180 mensen gearresteerd. In 1994 werden er door China verscherpte veiligheidsmaatregelen aangekondigd. In Beijing was dat jaar tijdens het “Derde Forum over Tibet” de voortrekkersrol van de geestelijkheid bij de demonstraties benadrukt. Hierdoor waren ook deze nieuwe veiligheidsmaatregelen weer sterk antireligieus van aard. Het Chinees bestuur nam de controle over kloosters en tempels op zich, het aantal monniken en nonnen per klooster werd beperkt en de Dalai Lama werd nu niet alleen als politiek leider maar ook als religieus leider aangevallen. Door deze verscherpte controle waren er in 1994 minder demonstraties dan in het voorgaande jaar (geschat wordt 19) en werden 110 mensen op politieke gronden gearresteerd. Dat het cijfer van het totaal aantal politieke gevangenen eind 1994 met meer dan 110 steeg tot 570, was omdat er op dat moment informatie vrij kwam over mensen waarvan tot dan toe niet bekend was geweest dat zij gevangen zaten. Omdat rond de Barkor een toename was van het aantal agenten in burger, verplaatsten de demonstraties zich in 1995 naar de plattelandsdistricten rondom Lhasa. Hierbij werden 106 monniken en nonnen opgepakt. Nog eens 58 arrestaties vonden plaats in Shigatse, de stad waar traditioneel de Panchen Lama zetelt in het Tashilunpo-klooster. Hier hadden monniken geprotesteerd tegen de arrestatie van de abt van het Tashilunpo-klooster. Deze werd ervan beschuldigd informatie aan de Dalai Lama te hebben doorgespeeld betreffende China’s eigen zoektocht naar de reïncarnatie van de in 1989 overleden Tiende Panchen Lama. Nog eens 66 mensen werden opgepakt omdat zij demonstreerden naar aanleiding van de viering van het 30-jarig bestaan van de Tibetaanse Autonome Regio. Het totale aantal arrestanten lag voor 1995 op 230. De gemiddelde duur van de straffen steeg naar vier jaar en zes maanden. HeropvoedingIn 1996 is in heel China voor het eerst gestart met de 'Strike Hard'-Campagne, waarbij in Tibet extra hard wordt opgetreden tegen anti-Chinese protesten en/of (verdenkingen van) 'politieke activiteiten'. Ook deze campagne is antireligieus van karakter. Foto's van de Dalai Lama zijn verboden en de geestelijkheid wordt verplicht tot 'politieke heropvoeding'. Sinds de herlancering van de 'Strike Hard' campagne in april 2001, worden naast Tibetanen die de 'nationale veiligheid in gevaar brengen' nu ook mensen die 'anderen helpen illegaal het land uit te vluchten' gearresteerd voor 'politiek activisme'. Tussen 1996 en 2001 zijn er in totaal zo'n 2500 Tibetanen opgepakt, waaronder ook een groot aantal Tibetanen jonger dan 18. In 2001 werd het aantal Tibetaanse politieke gevangenen geschat op 254. Verschillende mensenrechtenorganisaties constateren dat China's harde optreden extra geïntensiveerd is sinds de aanslagen in de VS op 11 september 2001, en China misbruik maakt van de 'strijd tegen het internationaal terrorisme' |




